Na de lunch is het tijd voor interactie! Vijf actuele en prikkelende onderwerpen worden plenair geïntroduceerd, waarna je zelf kiest bij welk thema je met vakgenoten in gesprek gaat.
Aan de hand van stellingen en gerichte discussies werken we samen toe naar concrete oplossingen en nieuwe inzichten. De opbrengsten van deze sessies worden na afloop van het evenement gedeeld met alle deelnemers, zodat iedereen kan profiteren van de gezamenlijke kennis en ideeën.
Deze ronde staat in het teken van discussie. De onderwerpen worden vooraf kort gepitcht, zodat je op basis daarvan ter plekke kunt kiezen bij welke discussie je aansluit.
Schuif aan, praat mee en breng je eigen inzichten in tijdens dit interactieve onderdeel. We starten plenair met een korte introductie, gevolgd door de discussies die plaatsvinden in de deelsessieruimtes. Daarna bespreken we met elkaar de mogelijke oplossingen en leggen we de gemaakte afspraken vast.
Je kunt kiezen uit 5 onderwerpen:
- De toekomst bouwen: Ontwikkeling van menselijk kapitaal voor slimmere, duurzame infrastructuur
De wegen-infrastructuursector bevindt zich op een keerpunt en er heerst een enorme urgentie. Wereldwijd streven we naar de duurzaamheidsdoelen voor 2030 en 2050, terwijl we tegelijkertijd geconfronteerd worden met grote uitdagingen zoals een tekort aan geschoold personeel en een tekort aan hooggekwalificeerde en deskundige ingenieurs.
Tegelijkertijd liggen er ongekende kansen voor ons met technologie. Maar technologie alleen brengt ons daar niet. Mensen wel. De toekomst van onze sector hangt af van de ontwikkeling van bekwame, flexibele en vooruitdenkende professionals die technische expertise kunnen combineren met digitale innovatie en een duurzame denkwijze.
Deze discussie biedt een kans om als leiders uit de sector, ingenieurs, aannemers, onderzoekers, assetmanagers en jonge professionals samen te komen en het menselijk kapitaal vorm te geven dat nodig is voor de toekomst van de infrastructuur.
- HSE-uitdagingen: Hoe ver durven we te gaan in de verduurzaming van asfalt?
De druk om circulair te werken, CO₂ te verlagen en sneller te innoveren is groot. Maar wat gebeurt er als die ambities botsen met veiligheid, kwaliteit en gezondheid?
Nieuwe bindmiddelen, hergebruik van materialen en lagere productietemperaturen klinken veelbelovend, maar kennen we de risico’s wel écht? Wanneer is een innovatie verantwoord, en wanneer nemen we te veel voor lief?
Hoeveel onzekerheid accepteren we op de werkvloer, in de keten en in onze besluitvorming? Je kunt niet tegelijk maximaal duurzaam, maximaal circulair én maximaal veilig werken. Er moet altijd gekozen worden.
In deze discussie leggen we de spanningen bloot achter de asfalttransitie. Geen vanzelfsprekende antwoorden, maar scherpe stellingen, echte dilemma’s en een open gesprek over wat we winnen. En wat we mogelijk uit het oog verliezen.
- Verduurzamen? Niet te doen!
Iedereen weet wat nodig is om de asfaltketen te verduurzamen: hergebruik, langere levensduur, lagere productietemperaturen en minder emissies. Toch blijft echte voortgang uit. Publiek geld gaat vooral naar onderzoek zonder directe uitvoeringskracht, terwijl de dagelijkse praktijk onvoldoende verandert. Zo raken de klimaatdoelen voor 2030 maar ook 2040 en 2050 steeds verder uit beeld.
De kern van het probleem? Duurzaamheid loont nog te weinig in een sterk kostengedreven systeem. En kennis zonder productiefaciliteiten leidt niet tot fysieke verandering. Echte verduurzaming ontstaat pas wanneer partijen met uitvoeringsmacht durven investeren, risico nemen en tijdelijk vooroplopen.
Deze discussie daagt uit tot discussie: hoe durven we het peloton los te laten om de transitie te versnellen maar vooral, hoe verbinden we kennis aan maak- en uitvoeringskracht?
- Succesvol in transitie door toekomstbestendige nationale standaarden
In Nederland is historisch gezien een innovatief wegenbouwklimaat; het kennisniveau in de sector is hoog en er zijn meerdere partijen die innovaties onderzoeken en toetsen in de praktijk. Dit is een prachtige basis voor de duurzaamheidstransitie waar we nu voor staan. Echter, de beschikbare innovaties leiden pas tot een echte transitie op het moment dat er ook sprake is van adoptie door een significant deel van de markt. Deze adoptie blijft op dit moment uit. De toepassing van duurzame alternatieven is op dit moment optioneel, terwijl de markt risicoavers is vanwege krappe beheerbudgetten, die geen uitglijders toelaten. Als we collectief leren, zijn de totale faalkosten te overzien en te dragen. Regelgeving kan een goed fundament geven om collectief te werken, maar dan moet deze wel goed ingericht zijn.
De aandacht voor collectief gedragen regelgeving heeft de laatste jaren onder druk gestaan. Er was minder budget beschikbaar voor regelgevende instanties, zoals CROW, er was ook minder ruimte bij wegbeheerders, aannemers en kennisinstellingen om deel te nemen aan Nederlandse en Europese commissies.
Om de transitie te laten slagen moet er weer meer aandacht worden besteed aan gedragen regelgeving die ervoor kan zorgen dat we collectief de transitie kunnen maken. Dit vereist visie, budget en toewijding die we samen moeten organiseren.
- Van concurrent naar partner
In de huidige wegenbouwsector vinden veel ontwikkelingen en innovaties plaats. Op initiatief van individuele opdrachtgevers óf op initiatief van individuele opdrachtnemers. In het eerste geval omdat opdrachtgevers (vooral gemeenten) veelal niet zijn georganiseerd en kennissennetwerken de afgelopen jaren, met name na corona, nagenoeg zijn verdwenen. In het tweede geval omdat concurrentie en commerciële belangen samenwerking tussen marktpartijen in de weg staan. Er zijn veel concurrenten en weinig partners.
Maar met het rap naderen van de klimaatdata 2030 en 2050 is er een kentering zichtbaar: t.a.v. verschillende onderwerpen worden er samenwerkingsverbanden tussen alléén opdrachtgevers en alléén opdrachtnemers gevormd, maar ook mini-coalities tussen opdrachtgevers en opdrachtnemers samen. We gaan van concurrenten naar partners.
De discussie richt zich op de vraag of de collectiviteit in onze sector met bovengenoemde samenwerkingsverbanden en mini-coalities de juiste richting op gaat en voldoende adequaat en snel is. Is de collectiviteit breed genoeg? Of moeten we toch streven naar andere vormen van partnerschap tussen partijen? En welke voorwaarden moeten we dan aan adequate partnerschappen stellen?